written by
Annelies B.

Voorzetsels in het Duits: welke soorten en wanneer welke naamval gebruiken?

Bijleren: talen 5 min read

Ondervind jij moeilijkheden bij de Duitse voorzetsels en weet je nooit welke naamval er volgt? Dan ben je hier op de juiste plek! Als je Duits leert, kunnen de voorzetsels een moeilijke opgave vormen. In dit artikel bekijken we welke soorten voorzetsels er zijn, wanneer je welk voorzetsel gebruikt, en welke naamval volgt op welk voorzetsel. Er komen ook enkele ezelsbruggetjes aan bod. We dompelen je onder in het gebruik van de Duitse voorzetsels met een bezoekje aan het zwembad, mit dem Hund!

Voorzetsels Duits, naamval, Duitse voorzetsels

Wat is een voorzetsel?

Voorzetsels zijn korte woorden zoals ‘an, von, durch’. Ze staan ofwel bij een zelfstandig naamwoord (vb. Haus) ofwel bij een voornaamwoord (vb. mich). Een voorzetsel toont de relatie tussen woorden in een zin. Voorzetsels zijn meestal echt ‘voor’-zetsels en staan voor het (voor)naamwoord. Maar soms kan het voorzetsel ook na, rond of zowel voor en na een (voor)naamwoord staan.

Voorzetsels Duits, zelfstandig naamwoord, voornaamwoord, voorzetsel, an, von, durch, mich, haus, naamval

5 soorten voorzetsels

Voorzetsels hebben meestal niet één betekenis. Afhankelijk van hun betekenis in de zin onderscheiden we 5 verschillende groepen van voorzetsels.

1. Voorzetsels van plaats

Een voorzetsel van plaats drukt de positie uit van een voorwerp of een persoon in de zin. Het antwoordt op de vragen:

  • vb. Der Hund steht vor der Rutsche.
    De hond staat voor de glijbaan.
  • vb. Der Hund geht in die Umkleidekabinen.
    De hond gaat naar de kleedhokjes.

2. Voorzetsels van tijd

Een voorzetsel van tijd geeft weer wanneer iets gebeurt en beantwoordt dus de vraag:

  • vb. Der Hund schwimmt am Abend.
    De hond zwemt in de avond.
  • vb. Der Hund trinkt während der Pause.
    De hond drinkt tijdens de pauze.

3. Voorzetsels van wijze

Een voorzetsel van wijze drukt de manier uit waarop iets gebeurt. De vraag die je je dus moet stellen is:

  • vb. Der Hund schwimmt mit offenem Maul.
    De hond zwemt met een open muil.
  • vb. Der Hund schwimmt auf dem Rücken.
    De hond zwemt op zijn rug.

4. Voorzetsels van oorzaak

Een voorzetsel van oorzaak geeft aan waarom iets is gebeurd en geeft dus een antwoord op de vraag:

  • vb. Der Hund ist nass wegen des Wassers.
    De hond is nat door het water.
  • vb. Aufgrund des Staus kommt der Hund zu spät.
    Door de file komt de hond te laat.

5. Vaste voorzetsels

Veel voorzetsels worden in vaste samenstellingen gebruikt na werkwoorden, bijvoeglijke naamwoorden en zelfstandige naamwoorden.

Strikt genomen gaat het hier om voorzetselvoorwerpen, maar voor de eenvoud noemen we ze ook voorzetsels. Wil je de volledige uitleg, dan kan je er meer over lezen in Onze Taal.

  • vb. sich interessieren für etwas -> Der Hund interessiert sich für rote Bälle.
    De hond is geïnteresseerd in rode ballen.
  • vb. die Kritik an etwas -> Der Hund hat Kritik an dem kalten Wasser.
    De hond heeft kritiek op het koude water.
  • vb. stolz sein auf etwas -> Der Hund ist stolz auf seine Bademütze.
    De hond is trots op zijn badmuts.

Welke naamval na het voorzetsel?

In het Duits heb je vier verschillende naamvallen: de nominatief, de genitief, de datief en de accusatief. In een vorige blog leerden we al wanneer je welke naamval moet gebruiken. Na de meeste Duitse voorzetsels volgt altijd dezelfde naamval. Een kort overzicht:

Voorzetsels 1e naamval - Nominatief

Al meteen een meevaller! Er zijn geen voorzetsels die de nominatief verwachten, omdat de nominatief wordt gebruikt voor het onderwerp of het gezegde.

Voorzetsels 2e naamval - Genitief

De genitief wordt steeds minder gebruikt in Duitsland. Toch zijn er aantal voorzetsels die verplicht samen staan met de genitief:

Voorzetsels 2e naamval - Genitief

vb. Trotz seiner Angst tauchte der Hund.

Voorzetsels 3e naamval - Datief

Ook de datief volgt verplicht na enkele voorzetsels. Gelukkig kan je deze voorzetsels met een heel leuk ezelsbruggetje onthouden! Zing deze voorzetsels op de melodie van broeder Jacob en het wordt een echte oorwurm. (En het hoeft helemaal niet zuiver gezongen te zijn, bekijk maar de video hieronder! 😉)

Voorzetsels 3e naamval - Datief

vb. Der Hund schwimmt immer mit einem rosa Bikini.

Voorzetsels 4e naamval - Accusatief

Als laatste zijn er ook enkele voorzetsels waarna je altijd de accusatief moet gebruiken.

Voorzetsels 4e naamval - Accusatief

vb. Der Hund trägt eine Schwimmbrille für seine Augen.

Bij de voorzetsels met vaste naamval is het een kwestie van van buiten te leren en daarna heel veel oefeningen te maken. Oefening baart kunst!

Keuzevoorzetsels - Accusatief of Datief?

Naast de voorzetsels met vaste naamval heb je ook nog de keuzevoorzetsels, die Wechselpräpositionen:

  • an (aan, op, bij)
  • auf (op)
  • in (in, naar)
  • hinter (achter)
  • vor (voor)
  • über (over)
  • unter (onder)
  • neben (naast)
  • zwischen (tussen)

Als je een keuzevoorzetsel gebruikt, moet je kijken naar de context en functie in de zin om te weten welke naamval je moet gebruiken: de accusatief of datief.

  1. Je gebruikt de datief als het om een statische situatie gaat. De situatie verandert niet.
  2. De accusatief daarentegen gebruik je als het om een dynamische situatie gaat. De situatie verandert dus wél.

vb. Der Hund sitzt auf einem Badehandtuch (Datief) vs. Der Hund springt in die Luft (Accusatief)

De keuze tussen de twee naamvallen kan de betekenis van de zin veranderen. Kijk maar:

  • Der Hund läuft in dem Schwimmbad.
  • Der Hund läuft in den Schwimmbad.

Hoewel er maar 1 lettertje verandert, betekent de zin iets anders. Wat is het verschil?

keuzevoorzetsels duits akkusatief datif
  • In het eerste voorbeeld, met de datief, loopt de hond rond in het zwembad. De hond beweegt dus wel, maar blijft in het zwembad. De situatie verandert dus niet en daarom gebruik je een datief.
  • In het tweede voorbeeld, met de accusatief, loopt de hond het zwembad in. Hij loopt dus van een bepaalde plek, bijvoorbeeld van de straat naar het zwembad. De plaats verandert en daardoor gebruik je de accusatief.

    In de Nederlandse vertaling merk je ook een verschil: De hond loopt in het zwembad vs. De hond loopt het zwembad in.

De 7/2-regel kan je ook helpen om te weten welke naamval je moet gebruiken na een keuzevoorzetsel. Volg dit stappenplan:

7/2 regel duitse voorzetsels

Let wel:

  • Dit is een vereenvoudigde voorstelling, maar levert bijna altijd het gewenste resultaat! Er zijn sommige uitzonderingen: soms staat ‘an’ als het als vast voorzetsel bij een werkwoord gebruikt wordt met de vierde naamval, bijvoorbeeld ‘denken an + datief’ of ‘glauben an + datief’
  • In zeldzame gevallen moet ook de accusatief gebruikt worden wanneer er sprake is van tijd. Er kan namelijk sprake zijn van een soort ‘beweging in de tijd’:
    Wir verschieben den Termin auf nächste Woche.
    We verplaatsen de afspraak naar volgende week.

Samentrekking voorzetsel en lidwoord

In enkele gevallen versmelten het voorzetsel en lidwoord. Zo kan je het makkelijker uitspreken:

  • zum = zu dem
  • zur = zu der
  • im = in dem
  • am = an dem
  • beim = bei dem
  • vom = von dem


Hopelijk helpen deze tips en regels je op weg! Wir drücken dir die Daumen. 🤩

Heb je toch nog moeilijkheden met de Duitse voorzetsels of andere Duitse grammaticaregels? Via BijlesHuis vind je gemakkelijk een ervaren bijlesdocent die je online of aan huis helpt bij het leren van de Duitse taal. Bijles Duits macht Spaß. Viel Erfolg!

Op de hoogte blijven van onze artikels? Schrijf je hieronder in voor onze newsletter:

Duits voorzetsels naamvallen naamval ezelsbruggetje
Updates ontvangen met didactische inzichten?
Sign up for our newsletter