Wanneer gebruik je welke naamval in het Duits?

Bijleren: talen 6 min read

“Moet ik nu nominatief, genitief, datief of accusatief gebruiken?” 🤔
Komt deze vraag vaak in je op tijdens je les of taak Duits? Met dit overzicht van de vier naamvallen bij de bepaalde en onbepaalde lidwoorden van BijlesHuis struikel je er nooit meer over! Eerst leggen we kort uit wat een naamval precies is en daarna lichten we toe wanneer je welke naamval moet gebruiken.

naamvallen, Duits, schema, nominatief, accusatief, datief, genitief, kasus, 4 Fälle

Wat is een naamval?

In het Duits kunnen de lidwoorden verschillende uitgangen hebben, die een naamval uitdrukken. Naamvallen zijn nodig om de functie van een zinsdeel aan te geven. Zo drukken ze 'het onderwerp', 'het lijdend voorwerp', of 'het meewerkend voorwerp' van een zin uit.

De pinguïn krijgt in onderstaande zinnen telkens een andere naamval omdat het een andere functie in de zin heeft:

naamvallen, Duits, nominatief

Hieronder gaan we de 4 naamvallen in het Duits bespreken en wijzen we de pinguïn van elke zin een naamval toe.

1. Nominatief - onderwerp

De eerste naamval of de nominatief gebruiken we voor het onderwerp in de zin. Het onderwerp vind je door de volgende vraag te stellen: wie/wat + gezegde? We passen dit toe op de eerste zin van onze pinguïn: Der Pinguin guckt mich komisch an. ‘Wie’ guckt mich komisch an? Der Pinguin! Dat is dus het onderwerp. Daarom staat ‘der Pinguin’ in de nominatief.

Afhankelijk van z’n geslacht krijgt het zelfstandig naamwoord in de nominatief één van de lidwoorden in onderstaande tabel bij zich. Omdat pinguïn mannelijk is in het Duits, krijgt het ‘der’ voor zich. De naamval van onze pinguïn is in het blauw aangeduid:

Duits, nominatief
M = mannelijk, V = vrouwelijk, O = onzijdig en MV = meervoud.

Der Pinguin stiehlt Fisch von dem Tierpfleger. Die anderen Pinguine sehen, wie aggressiv der Pinguin ist. Der Pinguin ist ein kluger (=slim) Dieb! Eine Touristin sieht, wie schlau (=sluw) der Pinguin stiehlt und sie warnt deshalb den Tierpfleger. Der Pinguin guckt sie komisch an.

De nominatief wordt ook gebruikt na de koppelwerkwoorden ‘sein’ en ‘werden’. In deze voorbeeldzin is ‘sein’ het koppelwerkwoord en staat ‘ein Pinguin’ daarom in de nominatief: Das Tier neben Tom ist ein Pinguin.

2. Genitief - bezit

De tweede naamval of de genitief gebruiken we om een bezitsrelatie aan te duiden. De tweede zin van onze pinguïn vertaalden we als volgt: Das Fell des Pinguins ist weich = De vacht VAN DE pinguïn is zacht. ‘Van de’ wordt in het Duits dus de genitiefvorm ‘des’. Het woordje ‘des’ gebruik je hier dus om aan te tonen dat de vacht van de pinguïn is.

Omdat ‘der Pinguin’ mannelijk is, krijgt het in de genitief het lidwoord ‘des’ bij zich en wordt aan het einde van het substantief een +s toegevoegd: des PinguinS. Hetzelfde geldt voor de onzijdige zelfstandige naamwoorden.

Duits, genitief
M = mannelijk, V = vrouwelijk, O = onzijdig en MV = meervoud.

Jonas streichelt (=aait) den Pinguin. Er bemerkt, dass das Fell des Pinguins sehr weich ist. Jonas sieht, dass der Käfig (=de kooi) des Pinguins sehr klein ist. Der Käfig der anderen Pinguine ist viel größer. Warum machen die Tierpfleger des Zoos die Käfige nicht gleich groß?

3. Datief - meewerkend voorwerp

De derde naamval of de datief gebruik je voor zinsdelen die het meewerkend voorwerp zijn. Voor een meewerkend voorwerp kun je meestal ‘aan’ of ‘voor’ zetten of denken. Opgelet! In het Duits worden ‘aan’ en ‘voor’ niet vertaald. We kijken naar de derde zin van onze pinguïn. Hier kunnen we voor de pinguïn ‘aan’ plaatsen. Ich zeige dem Pinguin den Fisch = Ik toon de vis AAN de pinguïn. De pinguïn staat daarom in de datief.

Omdat ‘der Pinguin’ mannelijk is, is het lidwoord ervan in de datief ‘dem’. Als het zelfstandig naamwoord in het meervoud staat, wordt er aan het einde een +n toegevoegd. Bijvoorbeeld: Der Pinguin gibt den Tierpflegern ein Geschenk.

Duits, datief
M = mannelijk, V = vrouwelijk, O = onzijdig en MV = meervoud.

Der Pinguin träumt von einem Abenteur: Er möchte den Käfig verlassen. Die anderen Tiere helfen dem Pinguin aus dem Zoo zu flüchten. Mit einem Koffer läuft er schnell zum Ausgang. Ich zeige dem Pinguin den Fisch. Der Pinguin ist sehr hungrig und zeigt deshalb einen niedlichen Hundeblick (=schattige puppyogen).

Na enkele werkwoorden waar je geen ‘aan’ of ‘voor’ kan plaatsen, moet je toch de datief gebruiken. Dit zijn uitzonderingen die je goed vanbuiten moet leren. Deze werkwoorden staan in de onderstaande tabel opgelijst. Bijvoorbeeld: Ich traue dem Pinguin nicht.

Duits, datief, uitzonderingen

Daarnaast moet je ook de datief gebruiken na bepaalde voorzetsels: aus, außer, bei, mit, nach, seit, von , zu en gegenüber. Bijvoorbeeld: Nach der Feier hat der Pinguin fast nicht mehr gegessen. Dit filmpje kan je alvast helpen om de voorzetsels te onthouden. Opgelet! Ze zijn het voorzetsel ‘gegenüber’ vergeten.

Duits, accusatief

4. Accusatief - lijdend voorwerp

De vierde naamval of de accusatief gebruik je voor het lijdend voorwerp in de zin. Het lijdend voorwerp vind je door de volgende vraag te stellen: Wie/wat + gezegde + onderwerp? We passen dit toe op onze vierde zin: Tina besucht den Pinguin oft im Zoo. ‘Wie’ besucht Tina oft im Zoo? Den Pinguin! De pinguïn is dus het lijdend voorwerp en staat daarom in de accusatief.

Omdat het ‘der Pinguin’ is, krijgt het ‘den’ bij zich in de accusatief.

Duits, accusatief
M = mannelijk, V = vrouwelijk, O = onzijdig en MV = meervoud.

Tina besucht den Pinguin häufig im Zoo, da sie den Pinguin liebt. Wenn sie dem Pinguin Fisch gibt, werden seine Freunde eifersüchtig (=jaloers). Sie möchten auch Fisch bekommen: Das ist nicht fair! Tina sieht, dass die Pinguine fast anfangen zu kämpfen (=vechten). Tina fragt die Pinguine, was los ist.

  • De accusatief gebruik je ook na ‘es gibt’, wat in het Nederlands ‘er is/zijn’ betekent.

Bijvoorbeeld: Es gibt einen Pinguin in dem Garten.

  • Na ‘fragen en ‘bitten gebruik je ook steeds de accusatief en niet de datief, ook al kan je het vertalen als ‘vragen aan’.

Bijvoorbeeld: Der Pinguin fragt den Mann nach dem Weg.

  • Na deze voorzetsels volgt steeds de accusatief: bis, durch, für, gegen, ohne, um.

Bijvoorbeeld: Der Pinguin kann nicht ohne den Fisch leben.

Overzicht van de lidwoorden

Nu je alle naamvallen van het Duits afzonderlijk hebt bekeken, kan je makkelijk onderstaande schema’s van de bepaalde en onbepaalde lidwoorden vanbuiten te leren.

Hier nog een aantal tips om ze vanbuiten te leren:

  • De kleurtjes helpen je om de naamvallen makkelijker te onthouden.
  • De nominatief en accusatief lidwoorden zijn bijna identiek: enkel ‘den’ van mannelijk accusatief verschilt.
  • De onbepaalde lidwoorden lijken in hun uitgangen heel sterk op de bepaalde lidwoorden.
  • Ga via oefeningen na of je de tabellen goed kent.

Bepaalde lidwoorden:

naamvallen, Duits
M = mannelijk, V = vrouwelijk, O = onzijdig, MV = meervoud

Onbepaalde lidwoorden:

naamvallen, Duits
M = mannelijk, V = vrouwelijk, O = onzijdig, MV = meervoud

Zo, nooit gedacht dat pinguïns je zouden helpen om Duitse grammatica te begrijpen, hé? ;-) Succes met de Duitse naamvallen!

Heb je toch nog moeite met de verschillende naamvallen in het Duits, of loop je vast op andere andere onderdelen van de Duitse grammatica? BijlesHuis heeft een leger aan ervaren en gediplomeerde docenten Duits beschikbaar. Ze helpen je graag 1-op-1 aan huis of online met je grootste Duitse struikelblokken.

Laat hieronder je gegevens achter en blijf zo op de hoogte van onze nieuwste artikels! Je ontvangt verder geen reclame of andere e-mails.

studeren Duits naamvallen grammatica