Als je in het Nederlands wil vertellen over iets dat in het verleden gebeurd is, verwoord je dit doorgaans door het gebruik van de:

ONVOLTOOID VERLEDEN TIJD - Ik at een mango.
VOLTOOID TEGENWOORDIGE TIJD - Ik heb een mango gegeten.

Deze twee tijden kunnen we in het Nederlands vrij willekeurig gebruiken.
Wie in het Frans iets in het verleden wil uitdrukken is helaas aan striktere regels gebonden.

In dit artikel geven we uitleg over de equivalenten van de onvoltooid verleden tijd en de voltooid tegenwoordige tijd: l’imparfait en le passé composé. Lieven neemt je hiervoor graag mee op reis naar Parijs!

L’imparfait

Onze eerste halte: Het Louvre!

Nous étions cinq amis. C’était en juillet. Il faisait chaud. J’avais une mangue dans ma poche.

Om de STAM van de imparfait te vinden, doen we beroep op de “nous”-vorm van de indicatif présent:

Faire nous fais-ons --> fais-
Manger nous mange-ons --> mange-
Boire nous buv-ons --> buv-

Deze regel geldt voor alle werkwoordsgroepen, voor zowel regelmatige als onregelmatige werkwoorden.

!! Er is echter één uitzondering: het werkwoord être.

De “nous”-vorm van être is: nous sommes.
De stam van de imparfait wordt: ét-

De UITGANGEN van de imparfait zijn de volgende:

Wanneer GEBRUIK je deze tijd nu?

We gebruiken l’imparfait gewoonlijk om een situatie in het verleden te verwoorden:

  • gewoonte: Tous les jours, j'achetais une mangue.
  • beschrijving: Le portrait de Mona Lisa me semblait petit.
  • handeling van onbepaalde duur: Nous regardions les tableaux dans le musée.
Le portrait de Mona Lisa me semblait petit.

Le passé composé

Prochain arrêt: La Tour Eiffel!

Nous nous sommes levés tôt. J’ai mangé une mangue. Mes amis ont bu un café.

Le passé composé bestaat uit twee delen: Een hulpwerkwoord en een voltooid deelwoord. Beter gekend in het Frans als: l’auxiliaire et le participe passé.

L’AUXILIAIRE

De passé composé gebruikt de werkwoorden AVOIR en ÊTRE als hulpwerkwoorden.

Deze auxiliaires vervoeg je in de indicatif présent:

AVOIR

Voor de overgrote meerderheid van de werkwoorden gebruiken we de auxiliaire avoir.

J'ai dit à mon ami: "Tu n'as pas acheté assez de billets!"
Il m'a répondu: "Nous en avons perdu un."
- "Pourquoi n'avez-vous rien dit?" - "Ils n'ont pas osé."

ÊTRE

Sommige werkwoorden worden in de passé composé met de auxiliaire être vervoegd.

Je ne suis pas entré.
"Es-tu perdu?" Une fille m'a demandé.

Nous nous sommes regardés dans les yeux.
- "Vous êtes venus d'où?"
Mes amis sont descendus de la Tour Eiffel.

Hoe onthoud je nu welke deze werkwoorden zijn?

De werkwoorden die in de passé composé de auxiliaire être gebruiken, kan je in twee grote groepen verdelen:

1. Les verbes pronominaux (= wederkerende werkwoorden).

Deze werkwoorden worden voorafgegaan door een pronom personnel, een persoonlijk voornaamwoord:

Se laver; s’habiller; se tromper; se souvenir; …

De pronom personnel “se” past zich aan aan het onderwerp en staat voor het vervoegde werkwoord:

Je me suis levé tôt. Nous nous sommes rencontrés devant le Sacré-Coeur.
Tu t’es lavé dans l'hôtel.
Vous vous êtes habillés.
La fille s'est promenée entretemps.
Les gamines se sont trompées de rue.

2. Werkwoorden van beweging + nâitre en mourir

De meeste werkwoorden die zich in de passé composé vervoegen met être zijn werkwoorden van beweging:

venir: Je suis venu à Paris.
partir:
Tu es partie en metro.
retourner:
Nous sommes retournées vers l'hôtel.
monter: lls sont montés.

Ook de werkwoorden rester, naître en mourir vallen onder deze categorie.

Elle est restée dehors.
Je suis née en octobre.
Les soldats sont morts en 1789.

Voor deze categorie werkwoorden werd “La maison d’être” gecreëerd. Een visueel duwtje in de rug waardoor het kiezen van het juiste hulpwerkwoord kinderspel wordt!

!! OPGELET!!
Bij 6 van deze werkwoorden kan de passé composé zowel met être als met avoir gevormd worden.

Het gaat over de werkwoorden: Monter, descendre, sortir, rentrer, passer, retourner

In een zin zonder lijdend voorwerp (of COD in het Frans) vormt de passé composé van deze werkwoorden zich met het hulpwerkwoord être.

Je suis monté. Nous sommes rentrés.
Tu es descendu.
Vous êtes passés par l'Arc de Triomphe.
Elle est sortie.
Ils sont retournés à l’hôtel.

In een zin mét lijdend voorwerp of COD vervoegen deze werkwoorden zich met het hulpwerkwoord avoir.

J’ai monté ma valise. Nous avons rentré les chaises.
Tu as descendu tes affaires.
Vous avez passé vos coordonnées.
Elle a sorti la mangue de ma poche.
Ils ont retourné l'audioguide à la réception.

Vous êtes passés par l'Arc de Triomphe.

LE PARTICIPE PASSE

De VORMING van het voltooid deelwoord baseert zich op de infinitif.
Afhankelijk van de uitgang van de infinitif heeft de participe passé een andere uitgang:

Op deze regels zijn heel veel uitzonderingen. Dit zal je dus goed vanbuiten moeten leren. Via deze link vind je alvast een mooi overzicht.

L’ACCORD DU PARTICIPE PASSE
De participe passé neemt in sommige gevallen het getal en het geslacht van een ander zinsdeel over. Op die manier “accordeert", linkt, het werkwoord zich aan dat zinsdeel. Dat doet het als volgt:

Dit gebeurt als:

1. De participe passé vervoegd wordt met auxiliaire “être”

De participe passé neemt in dit geval het getal en geslacht van het zinsonderwerp over.

Ma soeur est partie en vacances à Paris.
Mes amis sont allés fumer dehors.

2. De participe passé wordt vervoegd met auxiliaire “avoir”
+ het lijdend voorwerp staat vòòr het voltooid deelwoord

De participe passé neemt in dit geval het getal en geslacht van het lijdend voorwerp over.

J’ai mangé une mangue.

Je l’ai mangée.
La mangue que j’ai mangée.
Quelle mangue
ai-je mangée?

L'accord is een veelgebruikt verschijnsel dat zinsdelen grammaticaal en inhoudelijk aan elkaar linkt. Hier komen we later zeker nog op terug!

Wanneer GEBRUIK je de passé composé?

We gebruiken le passé composé gewoonlijk om een actie in het verleden te verwoorden.

  • individuele gebeurtenis Hier, j'ai rencontré l'amour de ma vie.
  • voltooide actie. Ma copine a fini sa mangue.

Imparfait /vs/ Passé Composé

Als je nu een tekst moet schrijven of een spreekbeurt moet maken, in de verleden tijd, hou je best te allen tijde onderstaand kader in jouw achterhoofd. Zo weet je steeds wanneer je iets in de imparfait moet uitdrukken en wanneer je de passé composé moet toepassen!

Tijdaanduidingen in een zin kunnen jou ook helpen kiezen tussen beide tijden:


Chaque jour, nous étions en groupe. Puis mes amis ont perdu mon ticket d'entrée.
J'étais tout seul. Mais, après j'ai rencontré l'amour de ma vie.
La fille me regardait dans les yeux et soudain j'ai senti le coup de foudre.
Nous nous promenions près de la Tour Eiffel. Tout à coup un voleur a pris son sac à main.
Je l'ai couru après, mais l'homme était trop rapide.
La fille était triste. Alors, je l'ai rassurée.
Pendant que je la consolais, elle m'a embrassé.

Tout à coup un voleur a pris son sac à main.

Tu ne comprenais pas la différence entre l'imparfait et le passé composé. Maintenant, je te l'ai apprise! :)

Marie van BijlesHuis is tweetalig Frans en Nederlands. Haar passie voor Frans spoorde haar aan om ook een Bachelor- en Masteropleiding Franse Taal- en Letterkunde te behalen. In deze reeks artikelen helpt ze jou om enkele moeilijke grammatica-onderwerpen onder de knie te krijgen én geeft ze conversatietips.

Vragen over dit artikel? Stuur een mailtje naar marie@bijleshuis.be en ze geeft je met plezier meer uitleg! Op zoek naar individuele bijles voor Frans? Neem dan een kijkje bij BijlesHuis.

🌐 BijlesHuis - Vind de perfecte lesgever

Laat hieronder je gegevens achter en blijf zo op de hoogte van onze nieuwste artikels! Je ontvangt verder geen reclame of andere e-mails.